Guest User Guest User

7 jaar terugwinnen na je studie? Stap in de snelkookpan die ‘Afrika’ heet

Een jaar geleden vertrok Ine ter Berg (26) naar Kameroen met een missie: een van de oudste plantages van Afrika moest het duurzaamheidscertificaat krijgen. Via Skype vertelt Ine met onverminderd enthousiasme: “hier kan ik een functie uitvoeren waarvan ik in Nederland over vijf of zeven jaar pas kan dromen.”

Verandering van spijs doet eten

Geschreven door: Jos Hummelen

Als de Skype-camera aanspringt zit Ine in het houten kantoor van de oude plantage, genaamd Safacam (anno 1897). ‘Het verschil maken’ kan natuurlijk thuis of in je stad, maar de grote klappers zijn te maken op plekken die nog niet ver ontwikkeld zijn. Daarom pakte Ine haar spullen om af te reizen naar West-Afrika voor een project dat drie jaar moet duren. Het verduurzamen van een palmolie- en rubberplantage is namelijk een uitdagend project. Voor een RSPO-certificaat moet een bedrijf maar liefst aan 139 indicatoren voldoen. Dat varieert van het aanleggen van ‘groene zones’ langs waterwegen, het verminderen en veilig gebruik van pesticiden, het verbeteren van relaties met lokale gemeenschappen en het doorvoeren van procedures conform best practices.

Het ochtendlicht scheert langs Ine heen en direct onderbreekt ze me voor een werknemer met een vraag. Ze beantwoord kordaat in vloeiend Frans en staat me daarna weer te woord. “Het is hier fantastisch. De ene dag sta ik met de laarzen in de bagger, dan woon ik een medaille uitreiking bij voor loyale medewerkers, daarna kan ik zomaar weer een overleg hebben met een overheidsinstelling of een NGO. Het ene moment leer ik van het puntige en prachtige Frans van één van de 3126 medewerkers, het andere moment probeer ik iets met handen en voeten uit te leggen aan een oudere dame uit het nabijgelegen dorp.

Ine vertelt verder en legt uit dat mensen uiteindelijk wel begrijpen waarom zo’n ‘duurzaamheidscertificaat’ van belang is voor het bedrijf. “In het begin gaat het voor hun gevoel in tegen het maken van winst. ‘Duurzaamheid’ is voor lokale mensen een relatief nieuw begrip. Uiteindelijk begrijpt men wel dat het een manier is om tegemoet te komen aan de eisen die door de klant worden gesteld. Ook verbeteren de werkomstandigheden voor henzelf.”

De Afrika Attitude  

Afrika is letterlijk en figuurlijk een andere wereld. Ine vertelt wat je in je mars moet hebben om daar tot bloei te komen. “Bij de Afrika Attitude hoort allereerst dat je niet bang moet zijn voor gênante situaties. Dat krijg je altijd bij het leren van een nieuwe taal, maar ook in andere situaties moet je je vooral niet gaan schamen.” Ine strijkt even door haar steile, bruine haar, kijkt dromerig in de verte en gaat verder: “ik hou ook van boomknuffelen, maar je moet goede argumenten hebben om iets te doen, ook voor de aandeelhouders. Kortom: je ergens voor durven te staan, maar je moet ook pragmatisch blijven.” Over de Afrika Attitude kan ze nog wel even doorgaan: “boven alles heb je humor en een relaxte houding nodig. Natuurlijk zijn de dingen die je hier moet doen complex: je kent de taal nauwelijks en de cultuur niet. Je weet bovendien niet hoe de hazen lopen, juist daarom moet je je hoofd koel houden.”

Laaghangend fruit

Omdat ik me heb geconcentreerd op het aanstekelijke werk van Ine, bedenk ik me ineens de kritiek op palmolie en rubber. “Dat is voor een gedeelte terecht, denk ik.” Dat vind ik een verrassende respons van iemand die op een plantage werkt. “We kennen allemaal de foto’s van ontbossing en de impact op de biodiversiteit in Indonesië, bijvoorbeeld.” Ine gaat verder “tegelijkertijd is palmolie duurzamer dan andere oliën. De productiviteit per oppervlak is veel hoger en er zijn relatief weinig pesticiden en meststoffen nodig en heeft geen giftige bijproducten.” Daar moet ik nog maar eens induiken. Ik vraag verder: en rubber? “Synthetische rubber is gemaakt van aardolie. Wij maken natuurlijke rubber en kappen daarvoor geen woud. Ik werk dus om te zorgen dat het produceren van rubber geen aanslag geeft in de bodem, de lucht of het water.” Ze begrijpt de kritiek dus, maar stroopt direct de mouwen op voor een oplossing.

Als laatste vraag ik Ine wat ze zegt tegen de mensen die twijfelen of ze zo’n stap wel durven te wagen. Ze antwoord uitgeslapen: “Niet twijfelen, gewoon doen. Je krijgt pas spijt als je zo’n kans niet grijpt. Dit is een enorme snelkookpan. Als je dit kan, kan je in Nederland gelijk heel veel. Ik zou zelf iedereen aannemen met zo iets op het CV.” Ine besluit: “bovendien: specifiek in Kameroen, maar ik denk in heel Afrika is heel veel winst te boeken. Maar dat laaghangende fruit moet wel geplukt worden.”

Read More
Guest User Guest User

Ondernemen in Gambia: Met lef en geduld

Ik stap de bushtaxi uit bij de enige dwarsstraat met een naam in het dorpje Lamin. ‘Anna Street’ staat er trots en pontificaal. Ik ben op zoek naar Annemieke de Koning van het Lamin Health Center. Zouden ze Annemieke hier van lieverlee Anna zijn gaan noemen? Vlak eronder staat een verweerd bordje ‘your cure is our care’ van het Health Center. Ik loop een zanderig weggetje in, een prachtige baobab tegemoet.

Ik stap de bushtaxi uit bij de enige dwarsstraat met een naam in het dorpje Lamin. ‘Anna Street’ staat er trots en pontificaal. Ik ben op zoek naar Annemieke de Koning van het Lamin Health Center. Zouden ze Annemieke hier van lieverlee Anna zijn gaan noemen? Vlak eronder staat een verweerd bordje ‘your cure is our care’ van het Health Center. Ik loop een zanderig weggetje in, een prachtige baobab tegemoet.

Vlak voor ik het terrein binnentreed, en twijfel of ik mijn mondneusmasker op moet zetten, word ik op de hielen gereden door een auto met een “Tubab” achter het wiel. Ik volg de auto en vraag de bestuurder of wij een een afspraak hebben. “Dat denk ik,” zegt ze. En ze komt ruimschoots binnen de 1,5 meter staan zonder masker. De Tubab (witte mens) draagt voor andere Tubabs de naam Annemieke, maar hier gaat ze inderdaad door het leven als Anna. Ze kijkt me onderzoekend en indringend in met haar bruine ogen. Ze is lang en spreekt op een droge manier. De woorden van Anna zijn afgemeten en ze neemt haar tijd. Het verleerd om te oreren? Of het nooit aan willen leren? Haar accent kan ik niet goed thuisbrengen. Zuid-Holland? Daar wil ik even vanaf zijn.

There’s no corona in The Gambia

De Koning is van huis uit verpleegkundige, maar is hier de trotse, maar ook bescheiden directeur. Ze overziet het reilen en zeilen van – naar verluid – het beste ziekenhuis van Gambia. Al min of meer vanaf de start van de bouw van dit twee-verdiepingen tellende gebouw, was ze betrokken. “We zijn begonnen met ongeschoold lokaal personeel en één pot paracetamol.” Ik weet dat dit niet overdrachtelijk is bedoeld.

“Aan het begin van de Covid-uitbraak deden we buiten triage. We hebben trouwens wel de hulp van het ministerie van gezondheid gevraagd voor maskers en ander spul, maar kregen nul op het rekest. Nu testen we niet meer. Het is hier gewoon niet, dat merken we aan de patiënten.” Ik schets het doembeeld dat men lange tijd naïef is en men daar straks toch de wrange vruchten van gaat plukken. “Nee, het blijft Afrika goeddeels echt bespaard. Covid heeft hier nooit voet aan de grond gekregen en dat is maar goed ook.” Zelf leef ik samen met een Gambiaans gezin en geef ik les op het Gambia College. Ik ga daar in een overladen bushtaxi naar toe. Uit die ervaring weet ik dat je hier geen ‘intelligente lockdown’ kunt invoeren. Het is alles of niets. Op dit moment gelukkig alles. Van Corona is niks te merken. Behalve als je de TV aanzet. Officials van de overheid zijn blijkbaar geïnstrueerd om het kapje nutteloos op de kin te dragen bij toespraken. Een Gambiaans compromis.

Annemieke vervolgt rustig: “Ik denk voornamelijk omdat het leven zich buiten afspeelt.” Ze valt heel even stil. “ Het klimaat hier is gunstig, virussen houden van koude. Bacteriën houden van warmte, daarom zijn hier wel veel infectieziektes.” De neveneffecten van Covid zijn hier veel erger dan Corona zelf. “Mensen hebben lange tijd geen inkomen gehad en komen nu veel te laat naar het ziekenhuis.” Omdat hier de eerstelijnszorg ontbreekt, is dat moeilijk te sturen. De Koning knikt: “je hebt hier twee categorieën. Patiënten met snotneuzen en doodzieke patiënten. Bovendien is het hollen of stilstaan. Nu ligt er bijna niemand, maar vanmiddag kan het vol liggen. Nu is het droogseizoen, maar in het regenseizoen liggen ze hier in de gangen.” In het ziekenhuis staan 21 bedden.

Jammeh of Barrow, het maakt geen verschil

Goedbeschouwd is het leveren van zorg en het organiseren van goede gezondheidszorg een kerntaak van de overheid, maar van enige steun merkt de Koning niets. Vijf jaar nam Barrow het stuur over van de notoire dictator Jammeh, maar echt serieus wordt ook onder zijn bewind deze essentiële taak blijkbaar niet genomen. Wat meer is: het lijkt er niet op dat Barrow daar in de aankomende verkiezingen op afgestraft zal worden.

“Nou,” zegt De Koning “We hebben wel een Memorandum of Understanding.” Het is iets, maar niet veel. “Dat geeft een bepaalde erkenning, maar heeft geen enkele rechtsgeldigheid.” En dat terwijl De Koning en haar lokale en internationale collega’s dit terrein binnen een tijdsbestek van zes jaar hebben omgetoverd van een post naar een volwaardig en voor Afrikaanse begrippen hoogwaardig ziekenhuis.

Het Centrum

We zijn op het balkon gaan staan om het terrein te overzien. Onder ons het ziekenhuis, voor ons een grote Baobab en een wapperende Nederlandse vlag. Een mortuarium, met een airco. Een mooie ambulance, een wachtershuisje. Een schildering tegen de muur, met sikkeneurig kijkende mensen met klachten uit een kinderboek: gebroken been, gebroken arm. En een huisje waarop ‘Dental Clinic’ staat. Kennen ze dat hier, tandheelkunde? Vraag ik. “Nee” zegt De Koning eerlijk. “De gezondheidszorg staat nog in de kinderschoenen, maar tandheelkunde bestaat überhaupt niet.” Ik ga bij mezelf na wat dat voor problemen moet opleveren. “Soms komt er een tandarts langs uit het buitenland, die trekt en vult en doet.”

We staan op de verdieping waar gewoond en geleefd wordt door mensen die werken op de nabijgelegen school of in dit centrum. Het doet studentikoos aan en ik heb zin om te gaan hangen in één van de hangmatten op het grote balkon. Voor mensen die hier iets komen toevoegen, wordt goed gezorgd, dat kun je zo wel zien.

Dan het hart van het centrum, waar het allemaal om gaat. De Koning waarschuwt: “Het is een beetje een chaos beneden hoor, want je hebt de primeur: vanaf vandaag werken we met een Elektronisch Patiënten Dossier.” We lopen naar beneden, maar het doet sereen aan. Nu is de gemiddelde Gambiaan ook niet zo snel gek te krijgen, maar ook de Tubabdokters lopen er rustig bij. Achter de balie tref ik de glunderende Lia Pieterse, die trots vertelt hoe goed patiënten het oppakken om digitaal te gaan werken. Achter haar prijkt een open kast met stapels papieren, waarvan een gedeelte bruin uitgeslagen.

De kamers in het centrum doen stuk voor stuk aan als een plek waar je veel kunt betekenen voor patiënten. Ik besef me dat ik al minstens tien ziekenhuizen heb gezien in Afrika en dan vaak achter mijn vriendin aan stiefel en me afvraag of mensen hier komen om uit te zieken zoals je dat op je slaapkamer doet, of daadwerkelijk een behandeling krijgen. Hier niet: van chaos is geen sprake en de faciliteiten zijn om trots op te zijn. En dat zonder de hulp van Jammeh of Barrow en in nauwe samenwerking met talloze glunderende Gambianen.

Mensenwerk

Wat wordt er nou van je gevraagd als je hier komt te werken? De Koning weet het direct: “je moet vooral pragmatisch kunnen handelen, logisch nadenken en een enorme drive hebben.” Ze kijkt me strak aan, maar ik weet dat ze nog even nadenkt. “Ja, je moet echt wel heel gemotiveerd zijn, want er is genoeg dat je kan demotiveren. En… je moet heel veel respect hebben en kunnen houden voor de patiënt, voor al je collega’s en iedereen die je hier tegenkomt.”

Pieterse glipt achter ons langs. Ik feliciteer haar met het succes van vandaag. En De Koning met het succes van dit centrum. Ik ben onder de indruk van wat zij samen, zonder hulp van de overheid, voor elkaar hebben kunnen boksen in slechts een paar jaar. We nemen afscheid en ik ben gerust: als ik hier ziek word, kan ik hier ook beter worden.

Read More
Guest User Guest User

Is Israel aan het winnen in Afrika?

Het besluit van de Commissie van de Afrikaanse Unie, op 22 juli 2021, om Israel de status van ‘waarnemer’ in de Afrikaanse Unie te verlenen, was het hoogtepunt van jaren van Israëlische inspanningen om de grootste politieke instelling van Afrika te coöpteren. Waarom wil Israël graag zakendoen in Afrika? En waarom zijn Afrikaanse landen uiteindelijk bezweken voor het Israelische charmeoffensief?

QN1A1776-min-1024x683.jpeg

Foto: Jos Hummelen (CIDI) was in Dakar, Senegal.

Om bovenstaande vragen te beantwoorden, moet men het nieuwe spel waarderen dat in veel delen van de wereld aan de gang is, vooral in Afrika, dat altijd belangrijk is geweest voor de geopolitieke strategie van Israël. Vanaf het begin van de jaren vijftig tot het midden van de jaren zeventig breidde Israëls Afrika-netwerk voortdurend uit. De oorlog van 1973 maakte echter een abrupt einde aan die affiniteit met de landen van het Afrikaanse continent.

Hoe de Oktoberoorlog alles veranderde

Ghana in West-Afrika erkende Israël al snel na de stichting van het land in 1948. Op dat moment leek dat een vreemde beslissing. Veel Afrikaanse landen keken naar het Israelisch project als zijnde een nieuw soort kolonialisme. Toch luidde deze beslissing een nieuw denken in en tegen het begin van de jaren zeventig dachten meerdere Afrikaanse landen positiever over Israel. Op die manier kon Israel haar banden verstevigen en echt een geopolitieke positie innemen. Aan de vooravond van de Israëlisch-Arabische oorlog van 1973 had Israël volledige diplomatieke banden met 33 Afrikaanse landen.

De Oktoberoorlog stelde echter veel Afrikaanse landen voor een grimmige keuze: partij kiezen voor Israël of de Arabieren, die via historische, politieke, economische, culturele en religieuze banden met Afrika verbonden zijn. De meeste Afrikaanse landen kozen het laatste. Het ene na de andere Afrikaanse land begon banden met Israël te verbreken. Al snel had geen enkele Afrikaanse staat, behalve Malawi, Lesotho en Swaziland, officiële diplomatieke betrekkingen met Israël.

De solidariteit van Afrikanen met de Palestijnen ging nog verder. De Organisatie voor Afrikaanse Eenheid – de voorloper van de Afrikaanse Unie – werd tijdens haar 12e gewone zitting in Kampala in 1975 de eerste internationale instantie die op grote schaal het vermeende racisme in de zionistische ideologie van Israël erkende door resolutie 77 aan te nemen.

Aangezien Israël zich bleef inzetten voor het zionistische, is de enige rationele conclusie dat het Afrika was, en niet Israël, dat veranderde. Maar waarom?

Verklarende factoren

De ineenstorting van de Sovjet-Unie is een eerste verklarende factor. Deze seismische gebeurtenis resulteerde in het daaropvolgende isolement van pro-Sovjet-Afrikaanse landen, die jarenlang de voorhoede vormden tegen het Amerikaanse, Westerse expansionisme en de belangen op het continent. Israel had altijd partij gekozen voor Amerika tijdens de Koude Oorlog.

Het tweede wat ineen stortte was het verenigde Arabische front voor Palestina. Dat front is historisch gezien het morele en politieke referentiekader geweest voor de pro-Palestijnse, maar ook voor anti-Israëlische sentimenten in Afrika.

African_Union_orthographic_projection.svg_.png

De Afrikaanse Unie omvat alle landen op het continent.

Normalisering tussen Arabische landen en Israel

De geheime, maar ook de openbare normalisering tussen Arabische landen en Israël ging de afgelopen drie decennia onverminderd door, wat resulteerde in de uitbreiding van de diplomatieke banden tussen Israël en verschillende Arabische landen, waaronder Afrikaans-Arabische landen, zoals Soedan en Marokko. Andere Afrikaanse landen met een moslimmeerderheid sloten zich ook aan bij bij het kamp dat normalisatie juist toejuicht. Landen die je misschien niet zou verwachten, zoals Tsjaad en Mali.

“Andere Afrikaanse landen met een moslimmeerderheid sloten zich ook aan bij bij het kamp dat normalisatie juist toejuicht. Landen die je misschien niet zou verwachten, zoals Tsjaad en Mali.”

De Verenigde Staten heeft ook haar invloed in de Verenigde Naties om paden te plaveien voor Israel. Zo stemde de Amerikaanse regering er vorig jaar mee in om Sudan van de door de staat gesponsorde terreurlijst te verwijderen in ruil voor de normalisering van Khartoem met Israel. In werkelijkheid is Soedan niet het enige land dat dit soort ‘pragmatische’ politieke ruilhandel begrijpt en bereid is hieraan deel te nemen. Anderen hebben het spel ook goed leren spelen. Door te stemmen om Israel toe te laten tot de AU, verwachten sommige Afrikaanse regeringen een rendement op hun politieke investering, een rendement dat zal worden opgeëist van Washington en in mindere mate ook in Tel Aviv.

De historische stap van Netanyahu

Er was nog een andere drijvende kracht achter het besluit van Israël om naar Afrika terug te keren dan alleen politiek opportunisme en economisch gewin. Opeenvolgende gebeurtenissen hebben duidelijk gemaakt dat Washington zich terugtrekt uit het Midden-Oosten en dat de regio niet langer een topprioriteit was voor het slinkende Amerikaanse rijk. Voor de Verenigde Staten zijn de beslissende stappen van China om zijn macht en invloed in Azië te doen gelden grotendeels verantwoordelijk voor de Amerikaanse heroverweging. De terugtrekking van de VS uit Irak in 2012, de opstelling in Libië, het laten overschrijden van de ‘rode lijn’ door het regime van Assad in Syrië en de chaotische terugtrekking uit Kabul waren allemaal indicatoren die erop wezen dat Israël niet langer alleen op blinde en onvoorwaardelijke Amerikaanse steun kan rekenen. Zo begon de naarstige zoektocht naar nieuwe bondgenoten om de eigen positie in de regio te versterken.

Op 5 juli 2016 gaf de toenmalige Israëlische premier, Benjamin Netanyahu, het startsein voor Israëls nieuwe betrekkingen met Afrika. De voormalig premier begon met een bezoek aan Kenia, dat door de Israëlische media als ‘historisch’ werd betiteld. Toegegeven: het was inderdaad het eerste bezoek van een Israëlische premier in de afgelopen 50 jaar. Na enige tijd in Nairobi te hebben doorgebracht, waar hij samen met honderden Israëlische en Keniaanse bedrijfsleiders het Israël-Kenia Economic Forum bijwoonde, ging hij verder naar Oeganda, waar hij leiders uit andere Afrikaanse landen ontmoette, waaronder Zuid-Soedan, Rwanda, Ethiopië en Tanzania. Met veel landen sprak hij over het bestrijden van terrorisme in de regio. In dezelfde maand kondigde Israël de hernieuwing van de diplomatieke betrekkingen tussen Israël en Guinee aan.

De nieuwe Israëlische strategie vloeide daaruit voort. Meer bezoeken op hoog niveau aan Afrika en juichende aankondigingen over nieuwe economische joint ventures en investeringen volgden. In juni 2017 nam Netanyahu deel aan de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten, die werd gehouden in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia.

Israelisch optimisme voor de toekomstplannen met Afrika

De toelating van Israël tot het 55 leden tellende Afrikaanse blok in juli wordt door Israëlische functionarissen en media-experts beschouwd als een grote politieke overwinning, vooral omdat Tel Aviv al sinds 2002 aan het werk is om deze status te bereiken. Destijds stonden er veel obstakels in de weg, zoals het sterke bezwaar van Libië onder leiding van Muammar Ghaddafi en het aandringen van Algerije dat Afrika zich moet blijven inzetten voor zijn ‘antizionistische idealen’, enzovoort. Stuk voor stuk werden deze bedenkingen weggenomen of als onbelangrijk aangemerkt.

“Ondanks Israëls optimisme voor in de toekomst, lijkt het erop dat de strijd om Afrika nog steeds woedt. Een strijd tussen politiek, ideologie en economische belangen die waarschijnlijk nog jaren onverminderd zal doorgaan.”

In een recente verklaring vierde Israëls nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Yair Lapid, het lidmaatschap van Israël in Afrika als een “belangrijk onderdeel van het versterken van de structuur van Israëls buitenlandse betrekkingen.” Volgens Lapid was de uitsluiting van Israël van de AU een “misinterpretatie die bijna twee decennia te lang bestond.” Natuurlijk zijn niet alle Afrikaanse landen het eens met de handige logica van Lapid.

Ondanks Israëls optimisme voor in de toekomst, lijkt het erop dat de strijd om Afrika nog steeds woedt. Een strijd tussen politiek, ideologie en economische belangen die waarschijnlijk nog jaren onverminderd zal doorgaan. Om de Palestijnen en hun aanhangers echter een kans te geven deze strijd te winnen, moeten ze de aard begrijpen van de Israëlische strategie waarmee Israël zichzelf aan verschillende Afrikaanse landen voorstelt als de partner, gunsten verleent en nieuwe technologieën introduceert om echte, tastbare problemen te bestrijden. Omdat Israel technologisch geavanceerder is in vergelijking met veel Afrikaanse landen, is de exportpositie van Israël sterk. In ruil voor kennis en kunde op het gebied van beveiliging, IT en irrigatietechnologieën vraagt Israel om diplomatieke banden en wederzijdse investeringen.

En de Palestijnen dan?

De dichotomie van Palestina in Afrika berust dan ook deels op het feit dat de Afrikaanse solidariteit met Palestina historisch gezien binnen het grotere politieke kader van wederzijdse Afrikaans-Arabische solidariteit is geplaatst. Maar nu de officiële Arabische solidariteit met Palestina verzwakt, worden de Palestijnen gedwongen buiten dit traditionele kader te denken, zodat ze als Palestijnen directe solidariteit met Afrikaanse naties kunnen opbouwen, zonder noodzakelijkerwijs hun nationale ambities te laten samensmelten met het grotere, nu gefragmenteerde, Arabische politieke lichaam. Ook het idee dat Israel een heerser met koloniale aspiraties zou zijn, verliest aan invloed.

Hoewel zo’n taak ontmoedigend is, is het ook veelbelovend, aangezien de Palestijnen nu de mogelijkheid hebben om bruggen van steun en wederzijdse solidariteit in Afrika te bouwen door middel van directe contacten, waar ze als hun eigen ambassadeurs dienen. Palestina heeft natuurlijk veel te winnen, maar Afrika ook veel te bieden. Palestijnse artsen, ingenieurs, civiele bescherming en eerstelijnswerkers, pedagogen, intellectuelen en kunstenaars behoren tot de meest hooggekwalificeerde en ervaren mensen in het Midden-Oosten. Ze hebben weliswaar veel te leren van hun Afrikaanse leeftijdsgenoten, maar hebben ook veel te geven.

In tegenstelling tot hardnekkige stereotypen, dienen veel Afrikaanse universiteiten, organisaties en culturele centra als levendige intellectuele hubs. Afrikaanse denkers, filosofen, schrijvers, journalisten, kunstenaars en atleten behoren tot de meest succesvolle en welbespraakte ter wereld.

Einde aan eindeloze boycot

Sinds haar oprichting heeft Israel altijd te maken gehad met een internationale boycot, met name door Arabische landen, die zich uitstreken tot ver in West-Afrika. Alhoewel sinds de vrede met het Egypte van Sadat meer landen overstag zijn gegaan, kijken veel landen nog altijd met argusogen naar de Joodse staat. De recente status van Israel bij de Afrikaanse Unie laat het huidige schisma zien, waarbij bijvoorbeeld buurlanden Marokko en Algerije een compleet andere mening over Israel zijn toegedaan.




Read More
Guest User Guest User

Gambia deel 2 | The African Experience

In deel 1 van zijn Gambia-blog liet gastblogger Jos ons al kennismaken met het ‘echte’ Gambia, zoals hij het een paar maanden heeft kunnen ervaren. In het vervolg van zijn verhaal laat hij ons meereizen in een ‘gele-gele’ op een ‘no towntrip’. En legt hij uit waarom je ‘The African Experience’ in Gambia niet in woorden moet beschrijven maar gewoon moet gaan beleven. Veel leesplezier!  

Vervoer

Dit had ik wel graag uitgelegd gekregen: er zijn vier manieren om jou en je vrolijke, zomerse rokje (dat wel net lang genoeg is) of jou in je beige neokoloniale outfit met zeer korte witte broek, te verplaatsen. Langzaam, goedkoop en érg gezellig: de bushtaxi. Dat is smaak één. Dat zijn die hoge bussen, vaak beschilderd. Die zijn iets langzamer, omdat ze pas gaan rijden als ze vol zitten. Dan heb je een kleiner busje, zeg maar een schildersbusje. Die zijn ietsje sneller, want: ietsje kleiner. Dan is er de toeristentaxi: de groene taxi. Die mensen kennen beter Engels, weten de toeristische plekken en zijn verzekerd. Als laatste is er de ‘gele-gele’: de gele taxi. De meeste auto’s zien er levensmoe uit en steevast ontbreekt er wel iets: een achteruitkijkspiegel, de mogelijkheid om het raam dicht of open te doen en hopelijk niet de rem.

Een keer zat ik in een auto die geen vering meer had. Dat was echt een attractie!

Dan is het nu tijd om het grote geheim uit de doeken te doen. Of eigenlijk twee. Ten eerste ging er een wereld voor mij open toen ik het verschil doorkreeg tussen ‘towntrip’ en ‘no towntrip’. Dat eerste is van deur tot deur en bij dat tweede droppen ze je gewoon aan de hoofdweg, wat negen van de tien keer prima is. Als de bewuste groene of gele taxi wél van de grote weg afslaat, dan is dat ineens een ‘towntrip’ geworden en gaat de prijs keer tien. Het verschil is zo gigantisch, dat je bijna gaat denken dat je erbij genaaid wordt. Maar dat is in werkelijkheid niet zo, want je hebt het in deze blog gelezen.

Dan het tweede goed bewaard gebleven geheim. Je kent ‘junctions’, kruispunten. En eigenlijk gaat al het vervoer tussen die kruispunten. De bekendste zijn: Westfield, Senegambia, Trafficlights, Turntable, Airport Junction en Castol. Er hangt altijd een mannetje uit zo’n ‘van’ en roept waar hij heengaat, met een langgerekte ‘A’ erachter. Dat wordt dan dus: ‘Turntable-aaaaa’? Of ‘Westfield-aaaaa’. Heerlijk. Mijn ongevraagde advies is: reis van kruispunt naar kruispunt, zonder towntrip en met zo’n gele-gele. Lache man. En dood gaan we allemaal.

Oh ja, één tip nog. Echt dood wil je natuurlijk niet, dus huur nooit of te nimmer een motor. Niet doen.

2021-01-03-16.07.58-2478552276602912081_44612260009-1024x1024.jpg

Geld nodig?

Als je, zo vlak voordat je je welgetrainde vakantiebillen in een gele-gele laat glijden, nog even je latte macchiato met havermelk wilt afrekenen, kan dat (verrassing!) niet met pin. Zorg dus dat je cash bij je hebt. Het beste is om te pinnen in Nederland en dat beetje bij beetje om te wisselen bij een kantoor met een lekkere reet. Pardon: met een aantrekkelijke rate. Goede wisselkoers, dus. Ben je er toch doorheen, dan staan hier wel pinautomaten, maar er is een redelijke kans dat ze je pasje ondankbaar uitspuwen.

Dan zijn er twee escape-routes. De eerste is Standard Chartered. Een internationale bank en gerenommeerd. Sterker nog: puur en alleen omdat ze Liverpool sponsoren denk ik dat het wereldtop is, verder dus nergens op gebaseerd. Daarnaast kun je naar een grote bank, zoals de GT, de Gambian Trust Bank, bijvoorbeeld in Senegambia. Daar kun je dan pinnen via een apparaatje en dan krijg je het zó, schoon in het handje. Kan je weer terug naar die fijne koffietent die ik nooit gevonden heb.

Cultuur van afhankelijkheid

Mocht je dat vervelende toontje van mij nog steeds trekken en je hebt het gered tot hier, dan feliciteer ik je en waarschuw ik dat het alleen nog maar vervelender wordt. Want: in Gambia is een cultuur van afhankelijkheid. Onderlinge afhankelijkheid, godbetert, maar afhankelijkheid nevertheless. Daar komt nog bij dat je soms benaderd kan worden als een lopende pinautomaat, vandaar ook dat dit stukje, vlak na het subkopje ‘geld nodig?’ staat. Hier is namelijk altijd geld nodig en bij gebrek aan een bank is er voor de locals af en toe het geluk dat er een witmens (Toubab) langs huppelt. Hoe leuk je het ook hebt met je vrienden, met je vlam of met je pake en moeke, afhankelijk ben je meestal niet, in Nederland. Hier zit dus potentieel een bron van grote ergernis en miscommunicatie.

Doe jezelf, de Gambiaan en de wereld een lol en geef nooit iets (substantieels) voor niets.

Je emoties kan ik al verklappen: het gaat van hilariteit, naar verbazing, naar ergernis en uiteindelijk een diepe gekweldheid over het feit dat al die Toubabs voor jou, zo kortzichtig zijn geweest om hier als Sinterklaas rond te gaan lopen en zich daar goed over te voelen. En jij zit nu met een paar kinderen om je heen die roepen ‘minti, minti’ (snoepje, alsjeblieft, witmens). Van een afstand hoor je wat voetballende semi-volwassen jongens roepen ‘something for the boys’ en straks op het strand kun je op je vingers natellen dat iemand die dag zijn kopje rijst niet bij elkaar heeft weten te scharrelen en of jij dan misschien een duit in het zakje kunt doen, for no good reason. Het aller-allerergste zijn de Toubabs die, in hun onmetelijke arrogantie en naïviteit, af en toe een raampje opendraaien en hun goedkope troep over de kinderhoofdjes uitstrooien.

Wat voor beeld moet dat geven aan kwetsbare kinderen in de tijd dat alles indruk maakt?

Vroeger gaven Afrikaanse nobelen elkaar zoveel mogelijk giften om zodoende te laten zien dat ze rijker waren en dus boven de ander stonden. Om iets van gelijkwaardigheid en wederkerigheid te behouden, zou ik zeggen:

betaal een goede prijs, bij goed werk geef je een redelijke fooi en koop zo nodig wat onzin op het strand, maar hou alsjeblieft op met weggeven alsof je een halfgod bent.



Kinderen-2-COLLAGE.jpeg

Africa Experience

Het abstracte concept ‘Afrika’ kun je uiteindelijk niet op papier zetten, dat moet je beleven, meemaken. En dat kun je in Gambia volop. Je proeft het in een veel te sterk gekruide Afra, die je opeet bij de metaalbewerker onder de boom. Je ziet het in de kleurrijke boten aan de prachtige stranden. En je hoort het in het fijne accent, het willekeurig gebruiken van hij en zij, het af en toe gebruiken van een meervoud en de totale onkunde om hun tong om bepaalde woorden te krijgen. Heerlijk toch? Gambianen zijn vet fijne mensen. Hoe verder van de Senegambia-strip en de stranden af, hoe fijner!

Ga ervan genieten, ga het aan met een glimlach en kom terug met verhalen, zodat anderen ook gaan.





Read More
Guest User Guest User

Gambia deel 1 | Een vrolijk avontuur

Als je aan mij vraagt, nu ik hier een paar maanden ben geweest, hoe het land écht is? Dan zeg ik: een land als geen ander, met mogelijkheden te over als reiziger, als weldoener en als ondernemer.

2021-01-11-18.24.19-2484419113345572689_44612260009-1080x540.jpg

Als je aan een gemiddelde Gambiaan van mijn leeftijd (32) vraagt om eens een frisse blog te schrijven over het land dat hem of haar zo lief is, kun je er vergif op innemen dat er ergens wel wordt genoemd dat Gambia ‘The smiling coast of Africa’ is, dat Gambia het kleinste land is, dat de rivier hier de Gambia heet en de zinsnede ‘No problem in The Gambia’ zal er mogelijkerwijs ook tussensteken. Lekker, dat die marketing geïncorporeerd is, zodat elke Gambiaan een uithangbord is geworden. 

Maar wat is Gambia écht?

Gambia is vrij typisch in veel dingen. In de manier van benaderen: vrolijk, sociaal en een pietsje opdringerig. In de manier waarop mensen hier wonen. Maar ook in de manier waarop hier de economie loopt: goeddeels grijs en via obscure markten. En in het toerisme: vooral gericht op het strand en met de mogelijkheid om helemaal niets mee te krijgen van het echte land en dus ook van de ellende.

No problem in The Gambia? Genoeg problems in The Gambia.

Het is een land waarbij mensen met hun eigen geslacht van de grond eten, terwijl een flitsende Nollywood scene over het kleurenbeeld de donkere woonkamer in knalt. Het is een land waar de rijksten der aarde vertoeven onder de fijne zon van de Sahel, terwijl een kleurrijk vrouwtje met een schaal fruit over het strand paradeert. Er zit glaswerk tussen de twee. Het is een land van vrolijkheid, van gezelligheid, van uitbuiting en complexe relaties. Als je aan mij vraagt, nu ik hier een paar maanden ben geweest, hoe het land écht is? Dan zeg ik: een land als geen ander, met mogelijkheden te over als reiziger, als weldoener en als ondernemer. 

Een land dat nog echt een jungle is, waarbij niets gratis is en alles moeite kost.

Een land, kortom, om volkomen verliefd op te worden.

Trips!

Het is absoluut en ontegenzeggelijk de moeite om eens met je luie, witte kont van het strand af te komen en een trip te maken. Wat er aan het strand gebeurt, hoef ik niet uit te leggen: fijne tentjes, fijne golven, fijne drankjes, fijne muziek. Maar wat er allemaal nog meer gebeurt als je zelf iets organiseert of meegaat met een gids, moet ik je eigenlijk niet willen zeggen, want dan gaat de verrassing eraf.

Zo was ik behoorlijk in shock dat krokodillen van ‘The Crocodile Pool’ in Bakau loslopen en dat je een slang om je nek geworpen krijgt bij ‘The Reptile Farm’Banjul zelf, maar dat kan ook aan mijn gids liggen, viel een beetje tegen. Ik had gedacht er meer cultuur en historie aan te treffen, maar trof een stadje zoals alle anderen aan. Vlak onder Banjul kun je wel heerlijk de mangroven in. Ga eens een dag vissen. Of laat je op een kano door de smalle paden varen, op zoek naar vogels of verscholen dorpjes waar je palmwijn krijgt.

2021-01-11-18.24.19-2484419113378940824_44612260009-1024x1024.jpg
QN1A0092-1-1-1024x683.jpeg
2021-01-02-13.08.18-2477737077037813485_44612260009-768x768.jpg

Ga eens een dag rondlopen op de markt van Serrekunda of (en bij voorkeur) Brikama en kijk eens hoeveel je ergens vanaf krijgt, waarna je alsnog boos wegloopt. Probeer een keer naar zo’n beauty contest te gaan, je kijkt je ogen uit. Kijk eens of je de moskee van Gunjur kunt vinden, die pal aan de zee staat en volgens mij een van de grootste en mooiste is van dit moslimland. Neem eens een taxi naar een van de kustplaatsen, zoals Sanyang en Tanji, om daar te zien hoe de vissers de vis binnenhalen en hoe de vis wordt verkocht.

Bestudeer de kaart gewoon goed, gok dat het daar wel eens gaaf zou kunnen zijn, neem wat geld mee, doe eens gek en kom voor het donker terug.

Gids nodig?

Woorden als ‘gids’ en ‘tour’ betekenen in Gambia nét iets anders dan bij ons. In Nederland neem je een gids voor vermaak, interessante feitjes en om op plekken te komen die anders verborgen blijven. Met een tour doe je verschillende plaatsen aan. Een dagtour duurt zo ongeveer van zonsopkomst tot zonsondergang en een gids is niet je vriend maar een professional, die er vaak lol in heeft om je ietsje wijzer te maken.

In Gambia neem je een gids voor drie redenen. Ten eerste voor vervoer, ten tweede voor de aardigheid en ten derde voor de veiligheid. Maar zoals bij alles geldt, er zijn geen garanties in dit land. Reken nooit op water, elektriciteit of waar voor je geld. “It’s an experience” krijg je terug, als ze je beteuterde witte neus zien – als je toch per ongeluk verwachtingen koesterde. Van iemand die met toeristen werkt, verwacht je dat hij in elk geval snapt hoe toeristen denken. Maar dat ligt zo ver af van de logica die hier geldt, dat je moet rekenen op onduidelijkheid.

Het begint en eindigt altijd met geld.

Bij ons (omdat we gewoon meer hebben) is het vaak niet zo’n punt – je spreekt iets af en daar doe je het voor. Hier is geld altijd een punt en hier is een afspraak zelden een harde afspraak: alles loopt door elkaar en het was toch anders. Wat is nou inclusief en wat is nou exclusief? Reken erop: niets is inclusief alles. Vaak blijkt ook achteraf dat iets eigenlijk wel iets mag kosten, ook als je er samen op uit ging en als vrienden of ‘familie’ deed en in elk geval de kosten wel had gedekt. Waarom staat dit nooit in blogs? Omdat het chagrijnig is en ondankbaar klinkt. Maar een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Dan de ‘tour’ zelf. Kijk niet gek op als je gids je gewoon ergens dropt, zonder tekst of uitleg. Kijk niet gek op als het maar één locatie blijkt te zijn en kijk niet gek op als het vervoer toch weer nét iets anders blijkt te zijn. Een gids verdient in Gambia extreem goed, maar vaak zijn het veredelde taxichauffeurs.

Is zonder dan een goed idee? Soms, maar vaak ook niet.Ten eerste zijn gidsen welbespraakt en als ze niet veel weten over de locatie waar je bent, weten ze soms wel wat over politiek, de natuur, iets geks wat je hebt gezien op straat of het leven van een Gambiaan. Gidsen zijn gids geworden omdat ze sociaal zijn, warm volk dus. Ten tweede is die ‘veiligheid’ waar ik het over had ook een schild tegen al te veel mensen die je continu aanspreken. Het kan immers in Gambia gemakkelijk té sociaal worden. Je bent al met iemand, dus jij bent ‘bezet’. Fijn zo, kun je rustig van achter dat schild van de omgeving genieten. Ten derde kom je voor minder verrassingen te staan. Je kunt prima kaart lezen en komt er heus wel, maar hoe is de weg? Welke gids moet je hebben? En wat is de echte prijs?

Als je geen zin hebt in gedoe, neem een gids.

In de paar maanden dat ik in Gambia ben geweest heb ik dus wisselende ervaringen. De beste gids die je kunt vinden woont in Brikama, maar komt overal, brengt je overal en kent iedereen. Mamadi Jaiteh is de naam (te vinden via: www.mamaditours.com ), een vrolijke en zeer sociale gast met een visie op ontwikkeling, samenwerking met het Westen, toerisme en vooral op educatie.

2021-01-03-16.07.58-2478552276560881437_44612260009-768x768.jpg
Read More